
Taxonomie en morfologie
De jeneverbes is een laagblijvende conifeer, behorend tot de familie van de Cipressen Cupressaceae. De struik is zowel zomer als winter altijd groen, de naalden hebben een groenblauwe kleur.
De naalden zijn naaldvormig, lijnvormig tot lancetvormig, meestal in kransen van 3, 0,7-2 cm lang, 0,7- 1,5 mm in doorsnede, stijf, stekelpuntig, onder breder, met een gewrichtje tegen de twijg, eerst opgericht, later afstaand.
Naaldbovenzijde is ondiep gegroefd, met een brede grijswitte stomaband en een groene zoom. De enkele stomaband is vaak gedeeltelijk gesplitst in tweeën. (stomabanden aan de bovenzijde van de naald is bij coniferen heel uitzonderlijk!).
De naaldonderzijde is gekield, glanzend groen en heeft 1 harskanaal gelegen onder de centrale vaatbundel. Als gevolg van hun sterke lichtbehoefte sterven de naalden in het centrum van de kroon af.
In Nederland onderscheidt men alleen de gewone jeneverbes (Juniperus communis).

De struik kent drie fenotypen: een zuilvorm, een fastigate vorm en een prostrate vorm.
- De zuilvorm heeft steil opgaande takken vlak langs de hoofdstam.
- De fastigate vorm heeft ook steil opgaande takken maar is wordt juist breed in de kroon en heeft geen duidelijke hoofdstam.
- De prostrate vorm blijft het laagst en heeft horizontale takken met neerbuigende toppen of kruipt over de grond.
De kroon begint dicht bij de bodem en heeft in vitale staat een dichte naaldbezetting. De struiken worden doorgaans tussen de drie en vijf meter tot maximaal tien meter hoog. En de struiken worden gemiddeld 3 meter breed tot maximaal 12 meter.
| De takken zijn bijna 3-hoekig, lichtgroen, met duidelijke lengtestrepen. | ![]() |
De jeneverbes is tweehuizig. Mannelijke struiken hebben in het bloeiseizoen (april – mei) kleine (ong. 4-5 mm lange) gele katjes met schilvormige meeldraden. Ze groeien in de bladoksels, eindelings aan korte zijtakken. De vrouwelijke kegels zijn geelgroen van kleur en zijn iets groter dan de mannelijke katjes. Deze kegels bestaan uit drie ” eitjes” aan de top van een takje, omgeven door schubbetjes, ze hebben twee tot vier vruchtschubben. De kegels vergroeien na de bevruchting in een schijnbes.

| De jeneverbes is rond tot breed eivormig, 5-7 mm groot, kort gesteeld, rijp zwartbruin of zwartblauw en iets berijpt. Vanaf de bestuiving duurt het gewoonlijk drie jaar voordat deze rijp is: pas een jaar na de bestuiving vindt de bevruchting plaats | ![]() | vervolgens neemt de ontwikkeling van de groene kegelbes een jaar in beslag en pas in het derde jaar begint de blauwkleuring. Meestal met 3 bruine zaden. |
De schors is eerst glad, later afbladderend. Dun, roodachtig bruin tot grijsbruin, met lengte streping.
Bronvermelding: Wilde planten in Nederland en België, Klaas Dijkstra


