
Ecologie
Beschrijving Habitat
Jeneverbesstruwelen groeien meestal op voedselarme zandgronden. De ondergroei bestaat met name uitstruikhei (Calluna vulgaris) en bepaalde grassen als zandstruisgras (Agrostis vinealis), bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en fijn schapegras (Festuca filiformis). Ook diverse mos- en korstmossoorten zijn er plaatselijk talrijk, bijvoorbeeld gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium).
In ons land komen jeneverbesstruwelen alleen nog op droge, kalkarme en voedselarme zandgronden van het open heidelandschap. Er lijkt een relatie te bestaan tussen aanwezigheid van oude jeneverbes in het heidelandschap en het traditionele heidebeheer, met plaatselijke overbegrazing, kleinschalig plaggen en branden. Experimenten met traditioneel beheer hebben echter tot nu toe geen nieuwe jeneverbesstruwelen doen ontstaan. In onze buurlanden treedt een vergelijkbare veroudering op als in Nederland. De zeldzame vorm met hondsroos komt voor op beweide, min of meer basenrijke, neutrale tot zwak zure, droge tot vochtige zandgrond. Deze jeneverbesstruwelen komen lokaal voor langs riviertjes op de overgang van stroomdalruggen naar hoger gelegen pleistocene zandplateaus.
In het verleden kwamen jeneverbesstruwelen in Nederland ook voor op kalkrijke standplaatsen, te weten in de kalkrijke duinen en in kalkgraslanden. Losstaande struiken van de jeneverbes worden niet tot het habitattype gerekend. Naaldbossen met jeneverbes in de ondergroei behoren niet tot het habitattype maar kunnen daar wel in worden omgevormd.
Naamgeving (Etymologie) Juniperus communis
- Nederland: jeneverbes
De boom wordt ook wel schildwacht, orakelbessen, wachelbeer, januverboom en pekke genoemd. Oude namen zijn krammetboom, machandel, lambeeren. Waarschijnlijk stamt Juniperus af van het Keltische jeneprus (ruw of wrang), vanwege de stekelige bladen. Volgens anderen is de naam afgeleid van het Latijnse woord juvis, jongere en Parere betekent verschijnen, baren. Dit zou te maken hebben met het verschijnsel dat de nieuwe bessen verschijnen voordat de oude zijn afgevallen. Een andere verklaring is dat het blad van de Zevenboom (Juniperus sabina) gebruikt werd, om een abortus op te wekken. Communis betekent gewoon of algemeen voorkomend.
- Duits: Wacholder, Machandel
Het Duitse woord Wacholder komt van het Oudgermaanse wachal = fris, altijd groen. In het Duitse taalgebied komt men ca. 150 verschillende namen tegen. Sommige namen hangen met het gebruik samen. In Pommeren spreekt men van Kniste- of Knastebusch, wat te maken heeft met het geluid van de brandende takken.
- Engels: Common juniper
- Frans: Genévrier, savin, sabine
Soorten
De zeer variabele jeneverbes wordt in een aantal ondersoorten verdeeld. In Nederland is de Juniperus communis het meest bekend. Uit DNA onderzoek is gebleken dat er veel genetische variatie bestaat binnen de jeneverbessen in Nederland, maar dat er geen specifieke lokale herkomsten zijn te onderscheiden. Jeneverbes wordt vermeerderd uit zaad en wordt in Nederland vanaf circa 1998 als autochtoon plantgoed aangeplant.
Verder bekende ondersoorten zijn de Juniperus communis ‘Hibernica’, die ook geschikt is voor heidetuinen. Hij kan daar het beste als solitair geplant worden. In de Alpen groeit de Juniperus alpina, een dwergstruik met meestal liggende takken en niet stekende naalden. In rotstuinen wordt ook wel eens de Juniperus sabina,een laagblijvende vorm, aangeplant. Juniperus phoenicea is een struik of kleine boom met een compacte, brede kroon.
Jeneverbes in een tuin?: De Jeneverbes houdt van een droge humusarme, maar wel mineraalrijke bodem. Leemgrond is daarom zeer geschikt. Hij heeft veel zon nodig om de bessen tot rijping te laten komen. In de winter kan hij goed vorst verdragen en in de zomer aanhoudende droogte. Hij staat mooi in combinatie met den, berk, heide, brem, lijsterbes, wilde rozen, toortsen, anjers, tijm en grassen. Hij is ook geschikt voor heggen.
Verplanten verdraagt hij niet goed. Jeneverbes hoeft niet gesnoeid te worden. Door het verwijderen van de zijtakken ontstaan er kale plekken, die nooit meer dichtgroeien. Onder een zware sneeuwlast kunnen takken naar buiten uitzakken en dat komt dan nooit meer goed. Sneeuw dus afschudden!



Jeneverbesstruweel
Het jeneverbesstruweel is een biotoop met zijn eigen karakteristieke flora en fauna. Dit betreft mossen en korstmossen, paddestoelen en schimmels, insecten en vogels. Zoals de meeste landplanten gaat ook de jeneverbes een symbiose aan met bepaalde bodemschimmels die de plantenwortels koloniseren en de zogenoemde mycorrhiza (Grieks: schimmel-wortels) vormen. Beide organismen, mycorrhiza-schimmel en waardplant hebben voordeel van de symbiose. De schimmel wordt door de plant met energie in vorm van suikers uit de fotosynthese verzorgd en ondersteund zijnerzijds de plant bij de opname van nutriënten en water.
Een deel van het schimmelweefsel staat in nauw contact met de wortel (wortelkolonisatie), een ander deel strekt zich vanuit de wortel uit in de grond in vorm van een dicht netwerk van schimmeldraden (mycelium) dat het absorberend oppervlak van het wortelstelsel vergroot. De ragfijne schimmeldraden (hyfen) bereiken bodemporiën, die voor wortelharen te nauw zijn. Mycorrhiza-schimmels kunnen ook mineralisch of organisch gebonden fosfaten en andere nutriënten vrij maken en weer beschikbaar stellen voor de plant.
Mycorrhiza schimmels
Hoe voedselarmer een bodem/ecosysteem, des te meer zijn de planten afhankelijk van mycorrhiza-schimmels voor hun groei en zeker ook voor de vestiging van kiemplanten. Hoe sneller kiemende zaden, in het geval van de jeneverbes bessen, in het ondergrondse netwerk van schimmeldraden geïntegreerd worden, des te beter kunnen ze doorgroeien en overleven. Als de natuurlijke concentratie van mycorrhiza schimmels in een ecosysteem laag of nihil is door overbemesting (ook atmosferische depositie), extreme pH-veranderingen, verstoring of verwijdering van de toplaag van de bodem, kan bovengenoemd mycorrhizatieproces vertraagd of helemaal afwezig zijn. Dit zou een reden kunnen zijn voor de haperende verjonging van de jeneverbes.
Een toevoeging van geschikte (liefst autochtone) mycorrhiza schimmels bij kiemende boompjes zou een belangrijke bijdrage kunnen vormen voor de verjonging van jeneverbesstruwelen.
In een verder voedselarm landschap zijn jeneverbesstruwelen vaak wat voedselrijker door de afgevallen naalden die vrij snel verteren. Je vindt hier dan ook stikstofminnende plantensoorten zoals vogelmuur, gewone hoornbloem en gewone hennepnetel.
Ecosysteem: Tientallen tot wel 90 verschillende soorten insecten, vogels, zoogdieren en specifieke schimmels.
Omdat de jeneverbes dicht en stekelig is, functioneert hij als een veilige schuilplek in een open landschap. Dit is hoe de leefgemeenschap rondom de struik is opgebouwd:
1. Insecten en spinnen (50 soorten)
De jeneverbes is de exclusieve waardplant voor verschillende insecten. Dit betekent dat zij niet kunnen overleven zonder deze specifieke struik:
- Jeneverbeskever en jeneverbessnuitkever: Specifieke kevers die leven van het sap en de naalden.
- Jeneverbesmot en jeneverbesmijt: Microlepidoptera (kleine vlinders) en mijten waarvan de rupsen en larven op de plant leven.
- Schildluizen en wantsen: Diverse soorten die zich voeden met de plantensappen.
- Bijen en zweefvliegen: De mannelijke struiken produceren in het voorjaar grote hoeveelheden stuifmeel, wat een vroege voedselbron is.
2. Vogels en zoogdieren
De dichte, prikkende structuur maakt de struik een ideale schuilplaats:
- Broedvogels: Vogels zoals de grasmus, geelgors en lijsters nestelen graag diep in de struik, waar roofdieren zoals sperwers of vossen niet makkelijk bij kunnen.
- Besseneters: De blauwe kegelbessen zijn een belangrijke voedselbron in de winter voor lijsters, kramsvogels en koperwieken. Via hun uitwerpselen verspreiden deze vogels de zaden.
- Kleine zoogdieren: Konijnen en muizen gebruiken de onderkant van de struik als beschutting. Grotere grazers zoals schapen mijden de struik juist vanwege de scherpe naalden, waardoor de jeneverbes bescherming biedt aan kwetsbare planten onder zijn takken.
3. Schimmels, mossen en korstmossen
Rondom de stam en op de afgevallen naalden ontwikkelt zich een microklimaat:
- Bodembedekkers: Onder de struik groeien specifieke mossen en korstmossen die profiteren van de lichte schaduw en de kalkarme, zandige bodem. Het snel verterende naaldtapijt stimuleert bovendien de groei van kraaiheide.
- Opruimers (Paddenstoelen): Er zijn tientallen soorten paddenstoelen die specifiek leven op het dode hout of de afgevallen naalden van de jeneverbes.
- Roestschimmels: De jeneverbes is de wintergastheer voor specifieke schimmels, zoals de bekende perenroest (Gymnosporangium), die in het voorjaar gele, geleiachtige structuren op de takken vormt.
Een uitgebreide lijst van de soorten met “jeneverbes” in de naam vind je op:
Waarneming.nl
Lees meer over schimmels op de jeneverbes in een artikel van B.W.L. de Vries: Schimmels op jeneverbes





Bron: - Wilde planten in Nederland en België van Klaas Dijkstra
- Wilde bomen en struiken van Lodewijk van Kemenade en Bert Maes, -AI beschrijving, =Soort van de dag, =Habitat richtlijn 5130
