
Onderzoek en wetenschap
Onderzoek Lena Smits (WUR)
Als afstudeerproject voerde Lena Smits onderzoek uit naar de jeneverbespopulaties in de gebieden in beheer van het Utrechts Landschap.

Presentatie Lena Smits
Op 8 augustus 2025 presenteerde Lena Smits haar onderzoek tijdens de gezamenlijke jeneverbes bijeenkomst van het Utrechts Landschap, het Jeneverbesgilde Drenthe en de initiatiefnemers voor het Jeneverbesgilde Utrecht. Lena Smits, toen nog student aan de WUR, heeft de jeneverbessen geïnventariseerd in de gebieden in beheer bij het Utrechts Landschap. Ook zijn de locaties middels GPS op kaart gebracht en in een database de individuele struiken beoordeeld op vitaliteit. De vitaliteit in de diverse gebieden van het Utrechts Landschap verschilt sterk. Er vindt beheer plaats, maar dat zou intensiever moeten plaatsvinden om betere omstandigheden voor het behoud van de jeneverbessen te realiseren.
Onderzoek in Drenthe door de Rijks Universiteit Groningen
In de periode 2018 t/m 2021 heeft onderzoeker Rik Veldhuis, onder leiding van hoogleraar Chris Smit bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), onderzoek gedaan naar de jeneverbes.
De jeneverbes populaties in Europa zijn de afgelopen decennia hard achteruit gegaan, zo ook in Nederland. Gebrek aan verjonging is een van de problemen. De kwaliteit van de Nederlandse bessen is erg slecht in vergelijking met de rest van Europa. Vraag in dit onderzoek was wat de effecten zijn van stikstofdepositie en mycorrhizerende schimmels op de jeneverbes. Dit onderzoek is afgerond.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de Nederlandse jeneverbessen een tekort hebben aan voedingsstoffen: vooral de gehaltes aan calcium en kalium in Nederlandse jeneverbes zijn laag. Deze voedingsstoffen zijn geassocieerd met zaadkwaliteit. Stikstofdepositie zorgt voor bodemverzuring en uitspoeling van voedingsstoffen zoals calcium, kalium en magnesium. In het onderzoek is gekeken of die voedingsstoffen met beheersmaatregelen zijn op te krikken.
Onderzoek naar de jeneverbes, het mysterieuze icoon op de Drentse Hei
.Met name in de herfst en wintermaanden wordt er onderhoud gepleegd waar nodig. Dit is niet aan een specifieke dag of week verbonden.
De groei van jonge jeneverbesstruiken in Drenthe is beperkt. Onderzoek moet duidelijk maken waarom de smaakmaker op de hei het zo moeilijk heeft (dec 2018). De hark gaat door het vak, onderzoeker Rik Veldhuis van de Rijksuniversiteit Groningen woelt de grond los. Midden op de heide van het Drouwenerzand liggen binnen een omheining 36 kale vakken, bestemt voor 75.000 jeneverbessen.
,,Wij doen onderzoek naar de verjonging van de jeneverbes, want daar gaat het niet goed mee”, stelt Veldhuis. In de vakken experimenteert hij met verschillende zaden om erachter te komen op welke ondergronden de iconische struik het best groeit.
De jeneverbesstruik is nog steeds een mysterie. De grote struiken die je ziet zijn vaak ouder dan honderd jaar, maar wij weten niet waarom er geen verjonging plaatsvindt. Op sommige plekken schieten ze omhoog en op andere plekken helemaal niet.”
Verschillen tussen heidevelden
En die onwetendheid steekt. Bij het gilde, bij natuurbeschermers en bij de onderzoekers. Op het Drouwenerzand groeien meer dan 300 jonge jeneverbessen, op het Dwingelderveld meer dan 1000. Maar in bijvoorbeeld het Balingerzand, het Mantingerzand en de Kampsheide groeien ze nauwelijks, terwijl daar wel volwassen struiken staan.

,,We hebben er nu twee jaar voorbereidend onderzoek opzitten”, zegt Veldhuis. ,,Wat opvalt is dat ook binnen natuurgebieden grote verschillen zijn. Het kan zo zijn dat er een ruimte van twintig bij twintig meter is waar er heel veel groeien en een paar meter verderop een stuk is waar er geen groeit. Hopelijk is dat over twee jaar duidelijk.” Dan moet namelijk het onderzoek afgerond zijn.
Stikstof boosdoener
Veldhuis ziet de uitstoot van stikstof als voornaamste boosdoener van de beperkte opkomst van jonge struiken. ,,Als stikstof neerslaat komen er meer nutriënten in de grond, waardoor er grassen groeien die er voorheen niet waren. Daarnaast verzuurt de bodem. We kijken of het tegengaan van bodemverzuring met kalk helpt. Ook gooien we wortels en sporen van bepaalde schimmels in de bodem, waar de jeneverbes een samenwerking heeft bij het opnemen van voedingsstoffen.”
In het vak strooit de onderzoeker de zaden. Daarna worden ze de grond ingestampt met hulp van gedeputeerde Henk Jumelet (CDA) en Sonja van der Meer, directeur van stichting Het Drentse Landschap. Jumelet: ,,Drenthe is natuur, het is belangrijk dat de jeneverbes als typisch Drents beeld behouden blijft.”
Voor het onderzoek is gewerkt met stekken afkomstig van het Drouwenerzand en het Mantingerzand. De stekken zijn eerst in het lab in potgrond gezet zodat ze wortels konden vormen. Met deze stekken zijn twee veldexperimenten gedaan.
Er is gekeken wat het effect is op de stekjes van toevoeging van voedingsstoffen aan de bodem. Toegevoegd zijn Dolokal (kalk) en Dolokal + Eiffelgold (steenmeel). Kalk verhoogt pH, calcium en magnesium in de bodem en vervolgens ook calcium en magnesium in de jeneverbesnaalden. Eiffelgold verhoogt ook een heel palet aan voedingsstoffen in de bodem.
In een tweede experiment zijn de effecten van mycorrhizerende schimmels onderzocht. Dit soort schimmels helpen planten (in het algemeen) met opname van voedingsstoffen en met het omgaan met droogte. Planten geven daar suiker voor terug. De relatie tussen jeneverbes en mycorrhizerende schimmels is echter niet eerder onderzocht.
Met kokers waar schimmeldraden wel in kunnen groeien, maar plantenwortels niet uit, is het effect van die schimmels onderzocht. Hieruit bleek dat mycorrhiza normaal gesproken de groei van jeneverbessen stimuleren. Echter als er in de bodem een gebrek aan calcium, magnesium en/of natrium is valt dit positieve effect weg (schijnbaar stopt de samenwerking dan).
.
Conclusies uit het onderzoek:
- Aan de bodem toegevoegde voedingsstoffen worden opgenomen door de jeneverbes, wat de jeneverbessen gezonder maakt.
- Uitspoeling van nutriënten (bijvoorbeeld door stikstofdepositie) tast direct de jeneverbes aan, maar ook indirect via de verminderde samenwerking met mycorrhizerende schimmels
ROEG! van RTV Drenthe
Voor het onderzoek van Rik Veldhuis (Rijks Universiteit Groningen), zijn proefvelden aangelegd op het Drouwenerzand en het Mantingerzand. Het programma ROEG! van RTV Drenthe maakte een reportage op het Mantingerzand.
Vroege Vogels
Ook Vroege Vogels besteedde aandacht aan dit onderzoek van de RUG in een reportage met Chris Smit en Rik Veldhuis.
1975 – Onderzoek verjonging jeneverbes
Al in de 70-tiger jaren van de vorige eeuw was er onderzoek naar verjonging van jeneverbes
Het stagerapport uit 1978 van Jaap Breek. Hij heeft in 1975 en 1976 als stagiaire van Prof. J.J. Barkman onderzoek gedaan naar ‘De kiemingsecologie van Juniperus communis L. Ook in die periode was er sprake van weinig verjonging van jeneverbes in de Drentse en Overijsselse jeneverbesstruwelen.
Doel van het onderzoek was inzicht te krijgen in de kiemingsecologie van jeneverbes en in de factoren die een rol spelen bij het doorgroeien van kiemplant tot een jonge plant. In 1975 is een kiemplanten onderzoek opgezet met zowel veldproeven als kweekproeven. Veel aandacht werd besteed aan bodemgegevens, vegetatie en strooisellaag. Er werden Poolse en Nederlandse bessen gebruikt, waaruit bleek dat de Poolse bessen aanmerkelijk kiemkrachtiger waren.
De resultaten van de veldproeven waren teleurstellend, al na enkele zomerse dagen stierven vele jonge kiemplanten door verdroging. In de kweekproefopstellingen is wel kieming opgetreden, deze kiemplanten werden beregend. Het droge voorjaar van 1976 heeft echter bijna alle kiemplanten doen verdwijnen.
Er is naast deze proeven nog uitvoerig gekeken naar natuurlijke verjonging in het veld. Binnen een vijftal biotopen was er een groot verschil in jonge planten. Kieming vindt plaats in bijna alle biotopen maar in de zuid naalden zijn geen jonge planten waargenomen. Veel kiemplanten sterven af na enkele zomerse dagen. De overlevende jonge jeneverbesplanten hebben een voorkeur voor west, noord of oost hellingen. Opmerkelijk is nog dat er in het veld vrijwel geen kieming op kale zandige bodems voor kwam, maar juist wel in strooisel- en mossubstraten van circa 10 centimeter dikte. In leemhoudend zand kiemden jeneverbessen beter dan in mineralenarm stuifzand.
In 1977 zijn de proefvlakken nog een keer bezocht. Door de droge zomer van 1975 en de extreem droge zomer van 1976 waren vrijwel alle kiemplanten verdwenen.

